Caravan en de Wet

www.caravanendewet.nl

Rijbewijs - wetgeving.

Wegenverkeerswetgeving 1994 en Reglement Rijbewijzen.

Versie 22-01-2016
De artikelen die betrekking hebben op de rijbewijzen komen uit de Wegenverkeerswetgeving 1994 en het Reglement Rijbewijzen.  
Om de rijbewijs materie goed te beoordelen zijn een paar begripsbepalingen van belang, die hierna zijn te lezen.

Let op:
Rijbewijscontrole dient altijd plaats te vinden met behulp van de kentekenbewijzen van de auto en caravan. Soms is het gebruik van de constructieplaat van het voertuig of het kentekenregister noodzakelijk om de toegestane maximum massa vast te stellen. De beoordeling van de rijbewijscategorie vindt plaats door waarden in de documenten.

Rijbewijscontrole nooit door middel van weging!

Begrippen:

ledige massa:  massa van het voertuig, in bedrijfsvaardige staat, met inbegrip van een half gevulde brandstoftank, reservedelen en gereedschappen, die tot de normale uitrusting behoren, maar zonder lading en zonder de bestuurder en andere personen, die met het voertuig worden vervoerd; 

toegestane maximum massa: ledige massa, vermeerderd met het maximum toegestane gewicht aan lading;

Afdeling 1.  Rijbewijsplicht

Artikel 107

  • 1. Aan de bestuurder van een motorrijtuig op de weg dient door de daartoe bevoegde autoriteit een rijbewijs te zijn afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie waartoe dat motorrijtuig behoort.

  •  2.  Het rijbewijs dient:   

  • a. te voldoen aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen inzake inrichting, uitvoering en invulling,

  • b. zijn geldigheid niet te hebben verloren, en

  • c. behoorlijk leesbaar te zijn.

  • 3. Indien de aanvrager als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, wordt het in de basisregistratie opgenomen burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, op de bij ministeriële regeling vastgestelde wijze op het rijbewijs vermeld. Indien de aanvrager niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, wordt op het rijbewijs een bij ministeriële regeling vastgestelde aanduiding vermeld.

Artikel 110

Motorrijtuigen mogen slechts worden bestuurd door personen die een bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde minimumleeftijd hebben bereikt.

Daarbij kan voor het ontvangen van rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 in de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde gevallen en onder de bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden een lagere leeftijd worden vastgesteld.


Artikel 118

  • 1. Een rijbewijs wordt afgegeven voor het besturen van een of meer in dat bewijs aangeduide categorieën van motorrijtuigen.

  • 2.  De categorieën worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.

  • 3.  De uit de categorieën voortvloeiende bevoegdheden kunnen  overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels worden beperkt door het stellen van eisen aan het motorrijtuig of aan de bestuurder daarvan. Deze eisen kunnen mede omvatten het opleggen van de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma. In dat geval is het gestelde bij of krachtens de artikelen 129a tot en met 129e, 132 en 132b tot en met 132o van overeenkomstige toepassing.

  • 4.  Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld met betrekking tot de wijze waarop beperkingen als bedoeld in het derde lid worden aangegeven in het rijbewijs.


Artikel 122

Met in achtneming van de artikelen 123, 123a en 123b wordt de geldigheidsduur van het rijbewijs bij algemene maatregel van bestuur vastgelegd.


Soorten rijbewijzen

Artikel 15

1.   Rijbewijzen worden afgegeven voor het besturen van de volgende categorieën van motorrijtuigen:

a.   bromfietsen, niet zijnde bromfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet (rijbewijs categorie AM);

b.   motorrijtuigen op twee wielen, niet zijnde een bromfiets, met een maximale cilinderinhoud van 125 cm 3 en een maximumvermogen van 11 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van minder dan 0,1 kW per kg massa in rijklare toestand als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, al dan niet met zijspan of aanhangwagen, motorrijtuigen op twee wielen, niet zijnde een bromfiets, met een volledig elektrische aandrijving met een maximumvermogen van 11 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van minder dan 0,1 kW per kg massa in rijklare toestand als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, al dan niet met zijspan of aanhangwagen, alsmede motorrijtuigen op drie wielen met een maximumvermogen van 15 kW, niet zijnde een bromfiets (rijbewijs A1);

c.   motorrijtuigen op twee wielen, niet zijnde een bromfiets, met een maximumvermogen van 35 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van niet meer dan 0,2 kW per kg massa in rijklare toestand als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen en niet afgeleid van een motorrijtuig met meer dan het dubbele vermogen, al dan niet met zijspan of aanhangwagen (rijbewijs A2);

d.   motorrijtuigen op twee wielen, niet zijnde een bromfiets, al dan niet met zijspan of aanhangwagen, alsmede motorrijtuigen op drie wielen, niet zijnde motorrijtuigen op twee wielen met zijspan, met een vermogen van meer dan 15 kW (rijbewijs A);

e.   motorrijtuigen op vier of meer wielen, niet zijnde een bromfiets, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg en die zijn ontworpen en gebouwd voor het vervoer van ten hoogste acht personen, de bestuurder niet meegerekend, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens of opleggers waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 750 kg, dan wel meer bedraagt dan 750 kg, mits in dat geval de toegestane maximum massa van het samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen of oplegger niet meer bedraagt dan 3500 kg, een en ander afhankelijk van de gegevens op het kentekenbewijs van het trekkend motorrijtuig (rijbewijs B);

f.   motorrijtuigen, niet zijnde motorrijtuigen van de rijbewijscategorie D1 of D, waarvan de toegestane maximum massa meer dan 3500 kg, doch ten hoogste 7500 kg bedraagt en die zijn ontworpen en gebouwd voor het vervoer van ten hoogste acht personen, de bestuurder niet meegerekend, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens of opleggers waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 750 kg (rijbewijs C1);

g.   motorrijtuigen, niet zijnde motorrijtuigen van de rijbewijscategorie D1 of D, waarvan de toegestane maximum massa meer dan 3500 kg bedraagt en die zijn ontworpen en gebouwd voor het vervoer van ten hoogste acht personen, de bestuurder niet meegerekend, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens of opleggers waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 750 kg (rijbewijs C);

h.   motorrijtuigen die zijn ontworpen en gebouwd voor het vervoer van ten hoogste zestien personen, de bestuurder niet meegerekend, en een lengte hebben van ten hoogste acht meter, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 750 kg (rijbewijs D1);

i.    motorrijtuigen die zijn ontworpen en gebouwd voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder niet meegerekend, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 750 kg (rijbewijs D);

j.    landbouw- en bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede een of meer door die motorrijtuigen voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines (rijbewijs T), niet zijnde motorrijtuigen van een van de in de onderdelen a tot en met i bedoelde rijbewijscategorieën, tenzij:

1°. het motorrijtuig, gemeten overeenkomstig de meetmethode, vermeld in artikel 1, onderdeel 1, onder c, bijlage VIII, van de Regeling voertuigen, met inbegrip van de breedte van een of meer verwisselbare uitrustingsstukken, niet breder is dan 1,3 m,

2°. het motorrijtuig is voorzien van:

I.    een door de motor aangedreven maai-installatie, bestemd voor het maaien van oppervlakten,

II.   een door de motor aangedreven veeginstallatie, bestemd voor het vegen van wegen,

III.  een door de motor aangedreven installatie om automatisch uitwerpselen op te zuigen, bestemd voor het opzuigen van uitwerpselen,

IV. een uitrustingsstuk aan de voorzijde ter verwijdering van sneeuw op het wegdek, met een minimale breedte gelijk aan de grootste breedte van het voertuig, bestemd ter verwijdering van sneeuw op het wegdek,

V.  een installatie voor het strooien op wegen ter voorkoming of bestrijding van gladheid, bestemd voor het strooien op wegen, of

VI. een installatie met een tankinhoud van ten minste 100 liter om onkruid te besproeien, bestemd voor het sproeien van onkruid,

VII. een hefinrichting aan de voorzijde van het voertuig, niet zijnde een verwisselbaar uitrustingsstuk, dat zelfstandig voor laad- en losactiviteiten kan worden ingezet, en

3°. het motorrijtuig aan de achterzijde niet is voorzien van:

I.    een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen,

II.   een inrichting tot het koppelen van een verwisselbare getrokken machine, of

III.  een driepuntshefinrichting;

k.   motorrijtuigen van een van de rijbewijscategorieën B, C1, C, D1 of D voor het besturen waarvan de bestuurder in het bezit is van een rijbewijs, met een andere aanhangwagen of oplegger dan op grond van dat rijbewijs mag worden voortbewogen (rijbewijs E), mits:

I.    in het geval van een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B

1°. de toegestane maximum massa van de aanhangwagen of oplegger niet meer bedraagt dan 3500 kg, dan wel

2°. de toegestane maximum massa van de oplegger of middenasaanhangwagen meer bedraagt dan 3500 kg, mits:

a.   de toegestane maximumlast onder de koppeling van de oplegger of middenasaanhangwagen niet meer bedraagt dan het verschil tussen de toegestane maximum massa van het trekkend motorrijtuig en de massa in rijklare toestand, bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, van het trekkend motorrijtuig, en

b.   de toegestane maximum aslast respectievelijk de som van de toegestane maximum aslasten van de oplegger of middenasaanhangwagen niet meer bedraagt dan 3500 kg;

II.   in het geval van een motorrijtuig van de rijbewijscategorie C1 de toegestane maximum massa van het samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen of oplegger niet meer bedraagt dan 12.000 kg,

      een en ander afhankelijk van de gegevens die op het kentekenbewijs of in het kentekenregister ten aanzien van het in dit onderdeel bedoelde trekkende motorrijtuig zijn vermeld.

2.   Het eerste lid, aanhef en onder 3°, onder I, is niet van toepassing op de landbouw- en bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, aanhef en onder 2°, onder VII, mits aan dat voertuig geen aanhangwagen of verwisselbare getrokken machine is gekoppeld.

3.   Voor de bepaling van het aantal wielen worden twee op dezelfde as gemonteerde wielen als een wiel beschouwd, indien de afstand tussen de middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is dan 460 mm.

4.   In afwijking van het eerste lid worden motorrijtuigen, ingericht voor het vervoer van ten hoogste 8 personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, waarvan de toegestane maximum massa als gevolg van een aan het voertuig aangebrachte bepantsering meer dan 3500 kg bedraagt, begrepen onder de rijbewijscategorie B.

5.   In afwijking van het eerste lid, onderdeel k, onder I, wordt onder de rijbewijscategorie B mede begrepen het samenstel van een motorrijtuig van die categorie en een door dat motorrijtuig voortbewogen aanhangwagen of oplegger waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 750 kg, waarbij de toegestane maximum massa van het samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen of oplegger meer bedraagt dan 3.500 kg, maar niet meer bedraagt dan 4.250 kg en het rijbewijs van de bestuurder is voorzien van een bij ministeriële regeling vastgestelde codering waaruit blijkt dat de houder is geslaagd voor het examen dat de bevoegdheid geeft tot het besturen van zo'n samenstel.                            

6.   In afwijking van het eerste lid, onderdeel k, onder II, wordt onder de rijbewijscategorie E bij C1 mede begrepen een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B met een aanhangwagen of oplegger waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg, mits de toegestane maximum massa van het samenstel niet meer bedraagt dan 12.000 kg.