Caravan en de Wet

www.caravanendewet.nl

Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990. 

Versie 22-01-2016

Artikel 3

1.   Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden.

2.   Fietsers mogen met zijn tweeën naast elkaar rijden. Dit geldt niet voor snorfietsers.  

 

Artikel 11

1.   Inhalen geschiedt links.

2.   Bestuurders die links voorgesorteerd hebben en te kennen hebben gegeven dat zij naar links willen afslaan, worden rechts ingehaald.

3.   Fietsers dienen elkaar links in te halen; zij mogen andere bestuurders rechts inhalen.

4.   Bestuurders die zich rechts van een blokmarkering bevinden mogen bestuurders die zich links van deze markering bevinden rechts inhalen.

5.   Bestuurders mogen trams rechts inhalen.


Artikel 12

Het is verboden een voertuig vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats in te halen. 


Artikel 19

De bestuurder moet in staat zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is.


Artikel 20

Binnen de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden:

a.   voor motorvoertuigen 50 km per uur;

b.   voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor:

1.   op het fietspad of het fiets/bromfietspad 30 km per uur;

2.   op de rijbaan 45 km per uur;

c.   voor gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor, en snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet op het trottoir of het voetpad 6 km per uur.


Artikel 21

Buiten de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden:

a.   voor motorvoertuigen op autosnelwegen 130 km per uur, op autowegen 100 km per uur en op andere wegen 80 km per uur;

b.    voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor:

1.   op het fietspad of het fiets/bromfietspad 40 km per uur;

2.   op de rijbaan 45 km per uur;

c.   voor gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor, en snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet op het trottoir of het voetpad 6 km per uur.

 

Artikel 22

Voor zover niet ingevolge andere artikelen van dit besluit een lagere maximumsnelheid geldt, gelden voor de volgende voertuigen de volgende bijzondere maximumsnelheden:

a.   voor kampeerwagens die volgens het kentekenbewijs behoren tot de categorie bedrijfsauto’s en waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3500 kg, vrachtauto’s en autobussen, niet zijnde T100-bussen, 80 km per uur;

b.   voor T100-bussen 100 km per uur;

c.   voor landbouw- of bosbouwtrekkers en motorvoertuigen met beperkte snelheid, als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, al dan niet met aanhangwagen, 25 km per uur;

d.   voor brommobielen 45 km per uur;

e.   voor snorfietsen 25 km per uur;

f.   voor personenauto’s, bestelauto’s, motorfietsen, driewielige motorvoertuigen en T100-bussen, die een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg voortbewegen, 90 km per uur;

g.   voor andere dan de in onderdelen c en f genoemde motorvoertuigen met aanhangwagen 80 km per uur. 


Artikel 23

1.   De bestuurder mag zijn voertuig niet laten stilstaan:

a.   op een kruispunt of een overweg;

b.   op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook;

c.   op een oversteekplaats of binnen een afstand van vijf meter daarvan;

d.   in een tunnel;

e.   bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering dan wel, ingeval die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord;

f.   op de rijbaan langs een busstrook en

g.   langs een gele doorgetrokken streep.

2.   Onderdeel e van het eerste lid geldt niet voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers. 



Artikel 32

1.   Bestuurders van een motorvoertuig, een bromfiets, een snorfiets, niet zijnde een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet, een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een verbrandingsmotor, of een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een elektromotor en voorzien van een gesloten carrosserie, voeren bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht dimlicht. Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een elektromotor en niet is voorzien van een gesloten carrosserie voeren alsdan de in artikel 5.18.43, eerste lid, van de Regeling voertuigen bedoelde lichten.



2.   Het voeren van groot licht in plaats van dimlicht is toegestaan behoudens in de volgende gevallen:

a.   bij dag;

b.   bij het tegenkomen van een andere weggebruiker en

c.   bij het op korte afstand volgen van een ander voertuig.

3.   Achterlicht en de verlichting van de achterkentekenplaat moeten steeds gelijktijdig met groot licht, dimlicht, stadslicht of mistlicht branden.


Artikel 33

         

Gekoppelde aanhangwagens moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht achterlicht, verlichting van de achterkentekenplaat en het in de Regeling voertuigen voorgeschreven stadslicht voeren. 


Artikel 43

1.   Het is de bestuurders verboden op een autosnelweg of autoweg hun voertuig te keren of achteruit te rijden.

2.   Het is de bestuurders voorts verboden op de rijbaan van een autosnelweg of autoweg hun voertuig te laten stilstaan.

3.   Behoudens in noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm.

    

4.   Op een autosnelweg is het bestuurders van een samenstel van voertuigen met een totale lengte van meer dan 7 meter en van een vrachtauto verboden op een rijbaan met drie of meer rijstroken enig andere dan de twee meest rechts gelegen rijstroken te gebruiken. Het verbod geldt niet voor het geval zij moeten voorsorteren. 



Artikel 58

1.   Stilstaande motorvoertuigen op meer dan twee wielen en aanhangwagens moeten worden aangeduid door een gevarendriehoek, indien het voertuig een obstakel vormt dat door naderende bestuurders niet tijdig als zodanig kan worden opgemerkt.

2.   De gevarendriehoek moet goed zichtbaar op de weg worden geplaatst op een afstand van ongeveer 30 meter van het voertuig en in de richting van het verkeer waarvoor het voertuig gevaar oplevert.

3.   Het eerste lid geldt niet wanneer knipperend waarschuwingslicht wordt gevoerd.



Artikel 61a

                                                                 

Het is degene die een motorvoertuig, bromfiets, snorfiets of gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een motor bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden. 



Artikel 61b

1.   Het is verboden personen te vervoeren in de open of gesloten laadruimte van een motorvoertuig of bromfiets en in of op een aanhangwagen achter een motorvoertuig of bromfiets.

2.   Het eerste lid is niet van toepassing:

a.   op het vervoer van personen in de laadruimte van een ambulance of dierenambulance en op het vervoer van rolstoelinzittenden op de daarvoor ingerichte plaatsen in de laadruimte van een voertuig dat blijkens een aantekening op het kentekenbewijs speciaal is uitgerust voor rolstoelvervoer.

b.   op het vervoer van personen in de laadruimte van motorvoertuigen ten dienste van politie en brandweer en van andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

c.   op het vervoer van een persoon op de bestuurderszitplaats in een motorvoertuig of op een bromfiets op meer dan twee wielen die door een ander motorvoertuig of een andere bromfiets op meer dan twee wielen wordt voortgetrokken en op het vervoer van passagiers van het getrokken voertuig als hier bedoeld, voor wie geen zitplaats in het trekkende voertuig als hier bedoeld beschikbaar is;

d.   in het geval het vervoer van personen geschiedt in het kader van een evenement of optocht waarvoor een vergunning op grond van een gemeentelijke verordening is afgegeven;

e.   op het vervoer van personen met een motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km per uur, met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, niet zijnde een bromfiets, dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen indien voor dit vervoer een vergunning door het bevoegd gezag is afgegeven.

        

Artikel 67

1.   Onder verkeersborden aangebrachte onderborden kunnen inhouden:

a.   een nadere uitleg van het verkeersbord;

b.   ingeval op een onderbord uitsluitend symbolen voorkomen: het verkeersbord geldt slechts voor de aldus aangeduide weggebruikers of het aldus aangeduide verkeersgedrag;

c.   ingeval op een onderbord het woord "uitgezonderd" in combinatie met symbolen voorkomt: het verkeersbord geldt niet voor de aldus aangeduide weggebruikers of het aldus aangeduide verkeersgedrag.

2.   Indien het beoogde verkeersgedrag wordt aangegeven door middel van teksten of tekens al dan niet in combinatie met symbolen, blijkt het beoogde verkeersgedrag uit het onderbord.

       

3.   Symbolen op onderborden hebben dezelfde betekenis als die welke in bijlage 1 zijn opgenomen. 


Indien er bij verkeersborden onderborden worden gebruikt, geven die een nadere uitleg van het verkeersbord (beperkte werkingssfeer). Wanneer op het onderbord een symbool voorkomt geldt het verkeersbord voor de weggebruikers die als symbool op het onderbord voorkomen. Staat er op het onderbord ‘uitgezonderd’ en een symbool, dan geldt het verkeersbord niet voor weggebruikers die als symbool op het onderbord voorkomen.
In Duitsland worden soms verkeersborden gebruikt volgens model F1 (zie afbeelding) met daaronder een onderbord NUR FUR … (tekening personenauto met aanhangwagen, of vrachtauto tot max. 7,5 ton).