Caravan en de Wet

www.caravanendewet.nl

Inrichtingseisen Auto.


De bijzondere technische inrichting van een personenauto, bedrijfsauto

in relatie met het gebruik van een caravan, bestaat uit de montage van een trekhaak, zij-richtingaanwijzers, hulpspiegels alsmede de stekkerverbinding.
We vinden de regelgeving in de Regeling voertuigen (zowel voertuigeisen als gebruikseisen).
De hieronder bijgevoegde spiegeleisen uit bijlage VIII. (zie voor relevante bepalingen uit bijlage VIII de rubriek Caravans > 750 kg) Deze gaan over de wijze van keuren/beoordelen van een aantal onderwerpen, o.a. spiegeleisen, load-index banden, plaatsing van reflectie materialen .

Afdeling 2. Personenauto’s

Artikel 5.2.66

Indien de personenauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3.

Artikel 5.2.67
Indien een personenauto is voorzien van een koppelingskogel met een kogel met een nominale diameter van 50 mm moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen.
Bij personenauto’s die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van een aanhangwagen dan bedoeld in het eerste lid, moet worden voldaan aan het bepaalde bij of krachtens artikel 5.3.68.





Afdeling 3. Bedrijfsauto’s

Artikel 5.3.66
Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.68, tweede lid, onderdeel h. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

Artikel 5.3.67
Indien de bedrijfsauto is voorzien van een koppelingskogel met een kogel met een nominale diameter van 50 mm moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. 

Spiegels Artikel 5.18.5

Indien het gezichtsveld van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort voorgeschreven spiegels wordt beperkt door lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen met inbegrip van de lading, moet het voertuig zijn voorzien van een linker- onderscheidenlijk rechter buitenspiegel waarmee de bestuurder een in bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6, vastgesteld weggedeelte kan overzien.

Spiegeleisen Bijlage regeling voertuigen

Linker en rechter buitenspiegel
Artikel 134
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
Artikel 135
De spiegels van bedrijfsauto's en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in de artikelen 136 tot en met 149 kan overzien.
Artikel 136
1.   De linkerbuitenspiegel van de bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik is genomen voor 26 januari 2011 moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 39, waarbij de bestuurder:
a.   een punt op het wegdek, gelegen op 10,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 2,50 m naast het verlengde van de linkerzijde van het voertuig kan zien;
b. een deel van de linkerzijde van het voertuig kan zien;
c.   de horizon kan zien, en
d. tevens recht naar achteren kan kijken.
2.   De linkerbuitenspiegel van de bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik is genomen na 25 januari 2011, is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 40, waarbij de bestuurder:
a.   een punt op het wegdek, gelegen op 20,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 4,00 m naast het verlengde van de linkerzijde van het voertuig kan zien;
b. een punt op het wegdek, gelegen op 4,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 1,00 m naast het verlengde van de linkerzijde van het voertuig kan zien;
c.   en een deel van de linkerzijde van het voertuig kan zien;
d. de horizon kan zien, en
e.   tevens recht naar achteren kan kijken.

Artikel 137

1.   De rechterbuitenspiegel van de bus of de bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 41, waarbij de bestuurder:
a.   een punt op het wegdek, gelegen op 30,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 5,00 m naast het verlengde van de rechterzijde van het voertuig kan zien;
b. een punt op het wegdek, gelegen op 4,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 1,00 m naast het verlengde van de rechterzijde van het voertuig kan zien;

c.   een deel van de rechterzijde van het voertuig kan zien;
d. de horizon kan zien, en
e.   tevens recht naar achteren kan kijken.


2.   De rechterbuitenspiegel van de bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik is genomen na 25 januari 2011 is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 40, waarbij de bestuurder:
a.   een punt op het wegdek, gelegen op 20,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 4,00 m naast het verlengde van de rechterzijde van het voertuig kan zien;
b. een punt op het wegdek, gelegen op 4,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 1,00 m naast het verlengde van de rechterzijde van het voertuig kan zien;
c.   en een deel van de rechterzijde van het voertuig kan zien;
d. de horizon kan zien, en
e.   tevens recht naar achteren kan kijken.
3.   De rechterbuitenspiegel van de bedrijfsauto met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg die in gebruik is genomen na 30 september 1988 doch voor 26 januari 2011 moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 42, waarbij de bestuurder:
a.   een punt op het wegdek, gelegen op 20,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 4,00 m naast het verlengde van de rechterzijde van het voertuig kan zien;
b. een deel van de rechterzijde van het voertuig kan zien;
c.   de horizon kan zien, en
d. tevens recht naar achteren kan kijken.
4.   De rechterbuitenspiegel van de bedrijfsauto met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg die in gebruik is genomen vóór 1 oktober 1988 moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 43, waarbij de bestuurder:
a.   een punt op het wegdek, gelegen op 30,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 3,50 m naast het verlengde van de rechterzijde van het voertuig kan zien;
b. een deel van de rechterzijde van het voertuig kan zien;
c.   de horizon kan zien, en
d. tevens recht naar achteren kan kijken.
5.   De rechterbuitenspiegel van de bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg maar niet meer dan 3.500 kg die in gebruik is genomen voor 26 januari 2011 is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 43a waarbij de bestuurder:
a.   een punt op het wegdek, gelegen op 4,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 0,75 m naast het verlengde van de rechterzijkant van het voertuig kan zien;
b. een punt op het wegdek, gelegen op 30,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 3,50 m naast het verlengde van de rechterzijkant van het voertuig kan zien;
c.   een deel van de rechterzijde van het voertuig kan zien;
d. de horizon kan zien, en
e.   tevens recht naar achteren kan kijken.


Artikel 138
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
a.   een punt op het wegdek, gelegen op 10,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 2,50 m naast het meest links gelegen punt van de lading of aanhangwagen;
b.   een deel van de linkerzijde van de lading of aanhangwagen, en
c.   de horizon kan zien, en hij tevens recht naar achteren kan kijken.



Artikel 139
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto, die na 30 september 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
a.   een punt op het wegdek, gelegen op 20,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 4,00 m naast het meest rechts gelegen punt van de lading of aanhangwagen;
b.   een deel van de rechterzijde van de lading of aanhangwagen, en
c.   de horizon kan zien, en hij tevens recht naar achteren kan kijken.



Artikel 140
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto, die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
a.   een punt op het wegdek, gelegen op 30,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 3,50 m naast het meest rechts gelegen punt van de lading of aanhangwagen;
b.   een deel van de rechterzijde van de lading of aanhangwagen;
c.   de horizon kan zien, en hij tevens recht naar achteren kan kijken.



Artikel 141
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
a.   een punt op het wegdek, gelegen op 4,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 0,75 m naast het meest rechts gelegen punt van de lading of aanhangwagen;
b.   een punt op het wegdek, gelegen op 30,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 3,50 m naast het meest rechts gelegen punt van de lading of aanhangwagen;
c.   een deel van de rechterzijde van de lading of aanhangwagen, en
d.   de horizon kan zien, en hij tevens recht naar achteren kan kijken.
 









Zijrichtingaanwijzers
Artikel 5.18.37

Indien met een personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid of landbouw- of bosbouwtrekker een aanhangwagen wordt voortbewogen, moet het trekkend voertuig zijn voorzien van één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig.

De meeste voertuigen zijn sinds 1-1-1998 voorzien van zijrichtingaanwijzers, omdat dit een verplichte verlichting is geworden in de EG-typekeuringen.
  Overigens is niet geheel duidelijk wanneer geacht wordt dat richtingaanwijzers aan de zijkant zijn aangebracht, omdat sommige richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig enigszins doorlopen naar de zijkanten. Ingevolge een schrijven van de RDW dd 4 november 1985 wordt verwezen naar een beoordelingsmethode volgens richtlijn 76/759 EEG waarbij gebruik wordt gemaakt van de op het glaasje voorkomende keuringstekens. Is nabij het E-keur (met landnummer) het categoriecijfer 5 aanwezig, dan wordt geacht dat de richtingaanwijzer ook zijdelings zichtbaar licht uitstraalt. Er behoeft dan geen extra richtingaanwijzer te worden aangebracht. Optisch is het moeilijk vast te stellen, omdat niet het glas bepalend is, maar de reflector welke achter de lamp is aangebracht. Deze zorgt voor de uitstraling, vandaar dat het opschrift 5 van belang is.



Stekkerverbinding met trekkende voertuig
Artikel 5.18.38
De verlichtingsinstallatie van aanhangwagens moet zodanig functioneren dat de functies van de verlichting en de lichtsignalen overeenstemmen met die van het trekkend voertuig.

Gebruik mistachterlicht
Artikel 5.18.38a
Indien een aanhangwagen wordt voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus die is voorzien van één of twee mistachterlichten, behoeven in afwijking van artikel 5.18.38, eerste lid, alleen de één of twee mistachterlichten op de aanhangwagen te branden, mits de bediening van de mistachterlichten op het trekkende voertuig en de aanhangwagen vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt.