Caravan en de Wet

www.caravanendewet.nl

Gebruikerseisen  Auto - Caravan.

Versie 19-01-2016


Gebruikseisen Auto + Caravan (Alleen van belang zijnde artikelen zijn opgenomen)
Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen

Artikel 5.18.1. Alle categorieën voertuigen

1.   Met een motorvoertuig mag niet meer dan één aanhangwagen worden voortbewogen.

2.   Met een gelede bus mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.

3.   Met een gehandicaptenvoertuig mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.

4.   Met een motorfiets met zijspanwagen mag geen aanhangwagen worden voortbewogen, tenzij het wiel van de zijspanwagen is beremd.

5.   Het eerste en achtste lid zijn niet van toepassing op landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid.

6.   Het eerste lid is niet van toepassing op een motorvoertuig waarmee meerdere aanhangwagens worden voortbewogen en waarbij de samenstelling van deze aanhangwagens blijkens het kentekenregister leidt tot één aanhangwagen.

7.   In afwijking van het eerste lid mag met een bedrijfsauto een samenstel van een dolly met oplegger worden voortbewogen.

8.   Een samenstel van een motorvoertuig en een aanhangwagen heeft ten hoogste twee draaipunten.


Artikel 5.18.2

1.   Met een motorvoertuig mag niet meer dan één motorvoertuig worden gesleept.

2.   Voertuigen voorzien van een drukluchtremsysteem mogen alleen met behulp van een sleepstang worden gesleept.

3.   Het drukluchtremsysteem van het gesleepte voertuig dient te zijn aangesloten op het drukluchtremsysteem van het trekkende voertuig.

4.   Een dolly of afsleepas en een zich daarop bevindend motorvoertuig worden als één motorvoertuig beschouwd. De dolly of afsleepas dient in dat geval te zijn voorzien van een reminrichting.

5.   Een afsleepas mag slechts gebruikt worden als zich daarop een motorvoertuig bevindt.

6.   Met een motorvoertuig mag geen tweewielig motorvoertuig of samenstel van voertuigen worden gesleept.

7.   Met een tweewielig motorvoertuig, een gelede bus of een samenstel van voertuigen mag geen motorvoertuig worden gesleept.


Artikel 5.18.3

1.   De bestuurder mag bij het besturen van het voertuig niet door passagiers, lading of op andere wijze worden gehinderd.

2.   In een voertuig waarin vervoer van een passagier in een rolstoel plaatsvindt, zijn geen losse voorwerpen aanwezig die het risico op letsel bij een noodstop, een aanrijding of een botsing kunnen verhogen.


Artikel 5.18.4

De bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen moet:

a.   voldoende zicht naar voren en opzij hebben door de voorruit en de voorste zijruiten, en

b.   voldoende zicht hebben op het naast en achter hem gelegen weggedeelte met behulp van de voor dat voertuig of samenstel van voertuigen voorgeschreven spiegels dan wel een camera-monitorsysteem.

 

Artikel 5.18.5

1.   De spiegels en gezichtsveldverbeterende voorzieningen van bedrijfsauto’s moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6, kan overzien.

2.   Indien het gezichtsveld van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort voorgeschreven spiegels wordt beperkt door lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen met inbegrip van de lading, moet het voertuig zijn voorzien van een linker- onderscheidenlijk rechterbuitenspiegel waarmee de bestuurder een in bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6, vastgesteld weggedeelte kan overzien.

3.   Indien het gezichtsveld van de voor landbouw- of bosbouwtrekkers voorgeschreven spiegels wordt beperkt door lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen met inbegrip van de lading, moet het voertuig zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel onderscheidenlijk een rechterbuitenspiegel waarmee de bestuurder het in artikel 5.8.45, eerste lid, vastgestelde weggedeelte kan overzien.


Artikel 5.18.6

1.   De lading of delen daarvan moeten zodanig zijn gezekerd dat deze onder normale verkeerssituaties, waaronder begrepen volle remmingen, plotselinge uitwijkmanoeuvres en slecht wegdek, niet van het voertuig kunnen vallen of de stabiliteit van het voertuig niet in gevaar kunnen brengen. Om hieraan te voldoen moet de lading of delen daarvan zodanig worden vastgezet dat minimaal de volgende versnellings- of vertragingskrachten kunnen worden weerstaan:

a.   in de rijrichting: 0,8 maal het gewicht van de lading;

b.   in de zijwaartse richting: 0,5 maal het gewicht van de lading en bij kantelgevaar 0,6 maal het gewicht van de lading;

c.   in de achterwaarts richting: 0,5 maal het gewicht van de lading;

 

     In aanvulling hierop moet lading zodanig zijn gezekerd dat deze door opwaartse krachten niet van het voertuig kan vallen.

2.   Losse lading die naar haar aard niet op of aan het voertuig bevestigd kan worden, moet deugdelijk zijn afgedekt indien gevaar of hinder ontstaat of kan ontstaan als gevolg van afvallende of wegwaaiende lading.

3.   In afwijking van het eerste lid, moet voertuiggebonden lading, zoals voertuiguitrustingsstukken, voertuiggereedschappen en stuwagemiddelen, zodanig zijn bevestigd dat deze niet van het voertuig kan vallen.

4.   In afwijking van het eerste lid, moeten verwisselbare uitrustingsstukken, afneembare bovenbouwen, gestandaardiseerde laadstructuren en meeneemheftrucks deugdelijk zijn bevestigd met geschikte vastzetsystemen, zekeringssystemen en stuwagemiddelen.

5.   Vastzetsystemen, zekeringssystemen, stuwagemiddelen en onderdelen daarvan moeten goed functioneren en geschikt zijn voor het doel waarvoor ze gebruikt worden.


Artikel 5.18.7

1.   Bij het vervoer van goederen aan de achterzijde van een personenauto, bedrijfsauto met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, bus of driewielig motorrijtuig, of aan de achter- of voorzijde van een aanhangwagen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moet worden voldaan aan de volgende eisen:

a.   de goederen moeten deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;

b.   de lastdrager moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;

c.   de lastdrager mag met inbegrip van de goederen niet meer dan 0,20 m buiten de zijkanten van het voertuig uitsteken;

d.   indien de lastdrager is geconstrueerd voor het vervoer van specifieke goederen, mogen geen andere én niet meer van deze goederen worden vervoerd dan waarvoor de constructie is bestemd;

e.   indien de verlichting en retroreflectoren van het voertuig door de lastdrager of de goederen worden afgeschermd, moet de lastdrager aan de achterzijde zijn voorzien van twee rode achterlichten, twee rode remlichten, twee rode retroreflectoren en twee ambergele richtingaanwijzers, die moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig met inbegrip van de lastdrager;

f.   indien de op het voertuig aangebrachte kentekenplaat door de lastdrager of de goederen wordt afgeschermd, moet de lastdrager zijn voorzien van een kentekenplaat met het kenteken van het voertuig waarop de lastdrager is aangebracht, alsmede van achterkentekenplaatverlichting; het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en mag niet zijn afgeschermd;

g.   indien de lastdrager is bevestigd op een trekhaak aan de achterzijde van een personenauto, bedrijfsauto met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, driewielig motorrijtuig:

1°. mag de door de fabrikant van de trekhaak vastgestelde maximale verticale last onder de koppeling niet worden overschreden; indien de trekhaak hieromtrent geen gegevens vermeldt, mag de verticale last niet meer dan 75 kg bedragen;

2°. mag de lastdrager met inbegrip van de bevestigingsdelen onder normale gebruiksomstandigheden het wegdek niet kunnen raken;

3°. mogen bevestigingsdelen, die na het gedeeltelijk verwijderen van de lastdrager op de trekhaak achterblijven, de bewegingsvrijheid van een aangekoppelde aanhangwagen niet beperken;

h.   indien de lastdrager is bevestigd op de voorzijde van de aanhangwagen:

1°. mag de door de fabrikant van de trekhaak vastgestelde maximumlast onder de koppeling niet worden overschreden; indien dit gegeven niet bekend is, mag de maximumlast onder de koppeling niet meer dan 75 kg bedragen;

2°. mag de lastdrager met inbegrip van de lading op de trekdriehoek of trekboom de bewegingsvrijheid van de aanhangwagen niet beperken.

 

2.   Bij het vervoer van goederen op het dak van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, of driewielig motorrijtuig moet worden voldaan aan de volgende eisen:

a.   de goederen moeten deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;

b.   de lastdrager moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;

c.   de door de fabrikant van het voertuig vastgestelde maximale daklast mag niet worden overschreden;

d.   indien de lastdrager is geconstrueerd voor het vervoer van specifieke goederen, mogen geen andere én niet meer van deze goederen worden vervoerd dan waarvoor de constructie is bestemd.

 

3.   Bij vervoer van glas, plaatmateriaal of soortgelijke goederen aan één of beide zijkanten van een bedrijfsauto of aanhangwagen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moet worden voldaan aan de volgende eisen:

a.   de lading moet deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;

b.   de lastdrager moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;

c.   de lastdrager met inbegrip van de lading mag niet meer dan 0,35 m buiten de zijkanten van het voertuig uitsteken, met dien verstande dat de totale breedte van het voertuig inclusief de lastdrager en de lading niet meer mag bedragen dan 2,75 m;

d.   de lading mag niet meer dan 1,00 m achter de achterzijde van het voertuig uitsteken;

e.   de lastdrager die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt dient aan de voor- en achterzijde te zijn voorzien van een markering die voldoet aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133, gestelde eisen.

 

Artikel 5.18.8

1.   De lading van voertuigen en verwisselbare uitrustingsstukken mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.

2.   Onverminderd het eerste lid moeten uitstekende delen van verwisselbare uitrustingsstukken, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.

3.   Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op lading, verwisselbare uitrustingsstukken of delen daarvan die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.

4.   Geen deel van de buitenzijde van verwisselbare uitrustingsstukken mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.


Artikel 5.18.9

1.   Opklapbare delen aan de buitenzijde van voertuigen moeten tijdens het transport van het voertuig over de weg in opgeklapte toestand deugdelijk zijn vergrendeld.

2.   Tenzij voor het gebruik op de weg noodzakelijk, moeten opklapbare delen van verwisselbare uitrustingsstukken tijdens het transport van het voertuig in opgeklapte toestand deugdelijk zijn vergrendeld.


Artikel 5.18.10

1.   Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg afkomstig uit een land waar voor deze aanhangwagens geen afzonderlijk kenteken is opgegeven, moeten, indien zij zijn gekoppeld aan een motorvoertuig waarvoor een kenteken is opgegeven, zijn voorzien van het kenteken van het trekkend motorvoertuig.

2.   Het eerste lid is niet van toepassing op aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg die afkomstig zijn uit een land waar voor deze aanhangwagen een afzonderlijk kenteken is opgegeven, indien de bij het kenteken behorende kentekenplaat wordt gevoerd.

3.   De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van de aanhangwagen zijn bevestigd.

4.   Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd.


§ 1. Afmetingen, massa’s en lasten

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens en samenstellen hiervan


Artikel 5.18.11

1.   De lengte van een samenstel van opleggertrekker en oplegger mag niet meer bedragen dan 16,50 m.

2.   Van een samenstel van bedrijfsauto en autonome aanhangwagen, middenasaanhangwagen of aanhangwagen met een stijve dissel, niet zijnde een samenstel van opleggertrekker en oplegger, mag:

a.   de lengte niet meer bedragen dan 18,75 m;

b.   de afstand tussen het voorste punt aan de buitenzijde van de laadruimte achter de stuurcabine en het achterste punt aan de buitenzijde van de aanhangwagen niet meer dan 16,40 m bedragen;

c.   de afstand tussen het voorste punt aan de buitenzijde van de laadruimte achter de stuurcabine en het achterste punt aan de buitenzijde van de aanhangwagen, verminderd met de afstand tussen de achterzijde van de laadruimte van het motorvoertuig en de voorzijde van de laadruimte van de aanhangwagen, niet meer dan 15,65 m bedragen.

 

3.   In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen, gestandaardiseerde laadstructuren en verwisselbare uitrustingsstukken inbegrepen.

4.   Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een samenstel van bedrijfsauto en dolly met oplegger, waarbij de lengte van het samenstel van dolly met oplegger niet meer mag bedragen dan 12,00 m.

5.   In afwijking van het eerste en vierde lid, mag bij het gebruik van een gestandaardiseerde laadstructuur in de vorm van een 45’ container met een lengte van maximaal 13,72 m en een breedte van maximaal 2,55 m, dan wel 2,60 m in het geval van een geconditioneerde gestandaardiseerde laadstructuur, indien deze container stapelbaar is en geschikt is voor het vervoer op een zeeschip, de lengte van het samenstel niet meer bedragen dan 17,30 m.

6.   Bij een samenstel van bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, en een aanhangwagen of samenstel van dolly met oplegger met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, niet zijnde een samenstel van opleggertrekker en oplegger, mag de afstand tussen de achterste as van de bedrijfsauto en de voorste as van de aanhangwagen of dolly niet minder bedragen dan 3,00 m.

7.   De lengte van samenstellen van personenauto of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen, mag niet meer bedragen dan 18,00 m.

8.   De lengte van een samenstel van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen, mag niet meer bedragen dan 24,00 m.

9.   In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, mag de lengte van een samenstel van rijdend werktuig en aanhangwagen niet meer bedragen dan 20,00 m.

10. De lengte van een samenstel van een bus en een aanhangwagen mag niet meer bedragen dan 18,75 m.

11. Een uitschuifbaar voertuig is in onbeladen toestand geheel ingeschoven, tenzij de uitgeschoven delen zijn voorzien van zijdelingse afscherming als bedoeld in artikel 5.12.48, vijfde lid, in welk geval het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111, met uitzondering van de artikelen 109, tweede lid, en 110, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is.


Artikel 5.18.12

1.   Bij het vervoer van lading met een voertuig of samenstel van voertuigen:

a.   mag de lading niet meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteken;

b.   mag de lading niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van het voertuig uitsteken;

c.   moet in afwijking van het bepaalde in de artikelen 5.3.49 en 5.12.49, een stootbalk zijn aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde van de uitstekende lading indien de afstand van de onderzijde van de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m;

d.   mag de lading niet voor het voertuig uitsteken;

e.   mag het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat van het voertuig niet worden belemmerd.

 

2.   Het eerste lid, met uitzondering van onderdeel e, is niet van toepassing op samenstellen van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen.

3.   Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op voertuigen of samenstellen van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1996.

4.   Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing indien aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig zijn aangebracht.

5.   Ter ondersteuning van de lading mag de laadvloer worden verlengd voor zover daardoor de in de artikelen 5.3.6, eerste lid, onderdeel a, 5.12.6, eerste lid, en 5.18.11, eerste en tweede lid, opgenomen afmetingen niet worden overschreden. Lading mag niet uitsluitend op de laadvloerverlenging rusten.

6.   In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mag een meeneemheftruck bevestigd aan de achterzijde van een voertuig, dat is ingericht voor het vervoer van goederen:

a.   meer dan 1,00 m, doch niet meer dan 1,20 m achter het voertuig uitsteken;

b.   meer dan 1,20 m, doch niet meer dan 1,50 m achter het voertuig uitsteken, mits met een door de fabrikant van het voertuig of van de meeneemheftruck of met een door een carrosseriebouwer afgegeven verklaring, aanwezig op het voertuig, wordt aangetoond dat de aslasten en de last onder de koppeling van het voertuig bij belading met uitsluitend de meeneemheftruck voldoen aan artikel 5.18.18, tweede, derde of vierde lid. De verklaring bevat een aanduiding van het type meeneemheftruck.

 

7.   In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, mag de uitsteek van een afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur achter het hart van de achterste as van het voertuig niet meer dan 0,5 maal de lengte van het voertuig bedragen, zoals vermeld in het kentekenregister of na meting vastgesteld, met een maximum van 5,00 m, waarbij voor een oplegger geldt dat de uitsteek van de afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur achter het hart van de achterste as van het voertuig niet meer mag zijn dan 0,5 maal de afstand van hart koppeling tot achterzijde met eveneens een maximum van 5,00 m.


Artikel 5.18.12a

1.   De lengte van een bedrijfsauto met inbegrip van één of meer verwisselbare uitrustingsstukken mag niet meer bedragen dan in artikel 5.3.6, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, is bepaald waarbij:

a.   de verwisselbare uitrustingsstukken zoveel mogelijk moeten zijn ingeschoven, ingetrokken dan wel in- of opgeklapt en deugdelijk vergrendeld;

b.   geen lading op de verwisselbare uitrustingsstukken mag rusten die niet gerelateerd is aan de functie van het verwisselbare uitrustingsstuk;

c.   het zicht op de verlichting, de retroreflectoren of de richtingaanwijzers van het voertuig niet mag worden belemmerd, en

d.   de verwisselbare uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133.

 

2.   Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing indien op het voertuig of aan de voor- of achterzijde van de verwisselbare uitrustingsstukken op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren of richtingaanwijzers zijn aangebracht.


Artikel 5.18.13

1.   In afwijking van artikel 5.18.12 mag, voor zover niet op andere wijze op het voertuig of samenstel van voertuigen, of voor zover niet binnen de afmetingen van het voertuig of samenstel van voertuigen, kan worden geladen, bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading:

a.   de lengte van de vervoerde lading meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12, eerste lid, is toegestaan waarbij:

1°. de lading aan de achterzijde van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen niet meer dan 1,00 m achter het voertuig mag uitsteken;

2°. de uitsteek van de lading achter het hart van de achterste as van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en aanhangwagens niet meer dan 0,5 maal de lengte van het voertuig mag bedragen, zoals vermeld in het kentekenregister of na meting is vastgesteld, met een maximum van 5,00 m, waarbij voor een oplegger geldt dat de uitsteek van de lading achter het hart van de achterste as van het voertuig niet meer mag zijn dan 0,5 maal de afstand van hart koppeling tot achterzijde met eveneens een maximum van 5,00 m;

3°. de lading aan de voorzijde van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen niet meer dan 1,00 m voor het voertuig mag uitsteken;

4°. de lading aan de voorzijde van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg niet meer dan 4,30 m voor het hart van de voorste as van het voertuig mag uitsteken;

5°. de lading niet voor de voorzijde van de aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, mag uitsteken;

6°. de lading die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt, aan de voorzijde respectievelijk aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133;

7°. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd, tenzij aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als het betrokken voertuig zijn aangebracht verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig;

b.   onverminderd onderdeel a, de lengte van een trekker en oplegger, met inbegrip van de lading, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.11, eerste lid, is toegestaan doch niet meer dan voor dat vervoer noodzakelijk is met een maximum van 22,00 m.

c.   onverminderd onderdeel a, de lengte van een oplegger met inbegrip van de lading, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.12.6, derde en vierde lid, is toegestaan doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is met een maximum combinatielengte van 22,00 m.

 

2.   In afwijking van artikel 5.18.12 mag de lengte van een samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, met inbegrip van de lading, dat is ingericht voor het vervoer van voertuigen, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan doch niet meer dan 20,75 m, waarbij:

1°.  de lading niet meer dan 2,00 m achter de aanhangwagen en niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van de aanhangwagen mag uitsteken;

2°.  de lading niet meer dan 0,50 m voor de voorzijde van de bedrijfsauto mag uitsteken;

3°.  de lading die achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133.

 

Artikel 5.18.14

1.   De breedte van driewielige motorrijtuigen, die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997, personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens, mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen in onbeladen toestand, dan wel niet meer dan 2,20 m op onverharde wegen.

2.   Met inbegrip van de lading mag de breedte van voertuigen, waarvan de lading bestaat uit in de breedte ondeelbare lading, meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen in onbeladen toestand, doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 3,00 m.

3.   Lading die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt, moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133.

4.   Het derde lid is niet van toepassing op lading van driewielige motorrijtuigen die na 31 oktober 1997 in gebruik zijn genomen en op lading van personenauto’s.

5.   Lading van driewielige motorrijtuigen die na 31 oktober 1997 in gebruik zijn genomen en van personenauto’s, mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken.


Artikel 5.18.15

De hoogte van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens, met inbegrip van de lading, mag niet meer bedragen dan 4,00 m.


Artikel 5.18.17c

1.   Indien voor een aanhangwagen een kentekencard of een kentekenbewijs is afgegeven, mag de op dit kentekenbewijs of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa niet worden overschreden of mag de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand, uitgezonderd de aslasten van een niet autonome aanhangwagen, niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximummassa. Bij middenasaanhangwagens en opleggers mag de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand in combinatie met een positieve last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet meer bedragen dan de toegestane maximummassa.

2.   Indien op de kentekencard of het kentekenbewijs van een middenasaanhangwagen of in het kentekenregister geen toegestane maximummassa is vermeld dan wel indien de middenasaanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand in combinatie met een positieve last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet meer bedragen dan 20.000 kg. Indien de middenasaanhangwagen is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte als gelijkwaardig aangemerkte vering en is voorzien van drie assen, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand in combinatie met een positieve last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet meer bedragen dan 24.000 kg.

3.   Indien van een aanhangwagen de toegestane maximummassa niet met behulp van het eerste en tweede lid kan worden vastgesteld, geldt voor deze aanhangwagen een toegestane maximummassa van 750 kg.

 

Artikel 5.18.17e

1.   De op de kentekencard of het kentekenbewijs van een aanhangwagen of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximumlast onder de as alsmede de toegestane maximumlast onder het asstel mag niet worden overschreden.

2.   Indien op de kentekencard of het kentekenbewijs van een aanhangwagen of in het kentekenregister de in het eerste lid bedoelde waarden niet zijn vermeld, of indien de aanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd mag de toegestane maximumlast onder de as of asstel niet meer mag bedragen dan:

a.   de voor het voertuig opgegeven technische toegestane maximumlast;

b.   voor enige as, 10.000 kg;

c.   voor aanhangwagens met een asstel met twee achter elkaar gelegen enkele assen, indien de onderlinge afstand tussen de assen:

1°. minder bedraagt dan 1,00 m, 11.000 kg tezamen;

2°. 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 16.000 kg tezamen;

3°. 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 18.000 kg tezamen;

d.   voor aanhangwagens met een asstel met meer dan twee achter elkaar gelegen assen:

1°. indien de afstand tot de dichtstbijzijnde naastgelegen as van dat asstel minder bedraagt dan 1,30 m, 7.000 kg per as;

2°. indien de afstand tot de dichtstbijzijnde naastgelegen as van dat asstel 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 8.000 kg per as, dan wel 9.000 kg per as indien het asstel is voorzien van gasvering of van in EU-verband als gelijkwaardig aangemerkte vering;

e.   voor aanhangwagens met één pendelas, 13.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg;

f.   voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met één pendelas, 16.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8.000 kg;

g.   voor aanhangwagens met twee pendelassen, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelassen:

1°. minder bedraagt dan 1,00 m, 13.000 kg tezamen;

2°. 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 17.000 kg tezamen;

3°. 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 21.000 kg tezamen;

waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg;

h.   voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met twee of meer pendelassen, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelassen:

1°. minder bedraagt dan 1,00 m, 16.000 kg tezamen;

2°. 1,00 m of meer bedraagt, 12.000 kg vermenigvuldigd met het aantal pendelassen;

waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8.000 kg;

i.    voor aanhangwagens met meer dan twee pendelassen, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelassen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, het aantal pendelassen vermenigvuldigd met 13.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg, mits het asstel is voorzien van gasvering of van in EU-verband als gelijkwaardig aangemerkte vering;

j.    voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met twee of meer pendelassen als bedoeld onder e, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelassen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, het aantal pendelassen vermenigvuldigd met 16.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8.000 kg, mits het asstel is voorzien van gasvering of van in EU-verband als gelijkwaardig aangemerkte vering;

k.   De last onder de assen van aanhangwagens bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, mag niet meer bedragen dan 24.000 kg tezamen indien het betreft aanhangwagens met een asstel bestaande uit:

1°. een pendelas, en

2°. een enkele as, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelas en de enkele as 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m.

 

Artikel 5.18.17f

1.   De in het kentekenregister vermelde toegestane maximumlast onder de koppeling van een aanhangwagen mag niet worden overschreden.

2.   Indien van een middenasaanhangwagen in het kentekenregister de in het eerste lid bedoelde waarde niet is vermeld dan wel indien de middenasaanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd mag de toegestane last onder de koppeling:

a.   alleen in neerwaartse richting zijn gericht;

b.   niet meer bedragen dan voor het voertuig opgegeven technisch toegestane maximumlast onder de koppeling;

c.   niet meer bedragen dan 10,0% van de technisch toegestane maximummassa van de aanhangwagen en niet meer dan 1.000 kg, en

d.   niet minder bedragen dan 1,0% van de technisch toegestane maximummassa van de aanhangwagen, doch de last behoeft niet meer te bedragen dan 50 kg.

 

Artikel 5.18.17h

1.   Personenauto’s mogen niet zodanig zijn beladen dat de toegestane maximum last van enige as of asstel, de maximum last onder de koppeling, of de toegestane maximummassa van het voertuig wordt overschreden dan wel de som van de aslasten meer bedraagt dan de toegestane maximummassa.

2.   Bussen mogen niet meer passagiers vervoeren dan het maximum aantal passagiers dat op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of in het kentekenregister, dan wel op de plaat als bedoeld in artikel 5.3a.1, zevende lid, is vermeld. Indien het maximum aantal passagiers niet op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs, in het kentekenregister, dan wel de plaat als bedoeld in artikel 5.3a.1, zevende lid, is vermeld, wordt het maximaal aantal passagiers vastgesteld door de toegestane maximummassa te verminderen met de massa in rijklare toestand te delen door 68 kg.


Artikel 5.18.18

1.   De totale massa of de som van de aslasten van aanhangwagens die worden voortbewogen door personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3.500 kg, mag niet meer bedragen dan de maximummassa die volgt uit het op de koppeling van het trekkend voertuig aangebrachte identificatiekenmerk of goedkeuringsmerk. Indien de koppeling daaromtrent geen gegevens vermeldt, mag de totale massa of de som van de aslasten van de aanhangwagen niet meer bedragen dan 750 kg en niet meer dan:

a.   de ledige massa van het trekkend motorvoertuig, of

b.   de massa in rijklare toestand van het trekkend motorvoertuig.

 

2.   De last onder de bestuurde as of assen van motorvoertuigen in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig in beladen toestand. Indien het een gelede bus betreft, mag die last niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voorste deel van het motorvoertuig in beladen toestand.

3.   De last onder de gestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van autonome aanhangwagens in beladen toestand of samenstellen van een dolly met oplegger in beladen toestand, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen respectievelijk het samenstel van de dolly en de oplegger.

4.   De last onder de koppeling van opleggers in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de oplegger in beladen toestand.

5.   Op onverharde wegen mag de last onder enig wiel van een voertuig niet meer dan 2.400 kg bedragen.

Artikel 5.18.18a

1.   Als in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van personenauto’s een maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, dan mag:

a.   de totale massa van aanhangwagens met een bedrijfsrem,

b.   de som van de aslasten van autonome aanhangwagens met een bedrijfsrem, of

c.   de som van de aslasten of de aslast in combinatie met een positieve koppelingsdruk van middenasaanhangwagens met een bedrijfsrem,

 

     achter die personenauto’s maximaal 3.500 kg bedragen en daarbij de laagste van de volgende waarden niet overschrijden:

1°.  de maximum te trekken massa aanhangwagen zoals die in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van het trekkende voertuig is vermeld;

2°.  de door de fabrikant bepaalde technisch toegestane getrokken maximummassa gebaseerd op de constructie van het trekkend voertuig;

3°.  de door de fabrikant bepaalde technisch toegestane getrokken maximummassa gebaseerd op de sterkte van de mechanische koppelinrichting;

4°.  de technisch toegestane maximummassa van het trekkend voertuig, of 1,5 maal de technisch toegestane maximummassa van de personenauto, voor zover de personenauto een aantekening op de kentekencard, dan wel het kentekenbewijs of in het kentekenregister ‘G’ heeft.

 

2.   Als in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van personenauto’s een maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, dan mag:

a.   de totale massa van aanhangwagens zonder een bedrijfsrem,

b.   de som van de aslasten van autonome aanhangwagens zonder een bedrijfsrem, of

c.   de som van de aslasten of de aslast in combinatie met een positieve koppelingsdruk van middenasaanhangwagens zonder een bedrijfsrem,

 

     achter die personenauto’s maximaal 750 kg bedragen en daarbij de laagste van de volgende waarden niet overschrijden:

1°.  de maximum te trekken massa aanhangwagen zoals die in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van het trekkende voertuig is vermeld;

2°.  de door de fabrikant bepaalde technisch toegestane getrokken maximummassa gebaseerd op de constructie van het trekkend voertuig;

3°.  de helft van de massa van het trekkende voertuig in rijklare toestand.

 

3.   De massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van aanhangwagens achter driewielige motorrijtuigen mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van het trekkende driewielige motorrijtuig.

4.   Indien in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van een personenauto geen maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.


Artikel 5.18.31

1.   Middenasaanhangwagens moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:

a.   de som van de aslasten van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 12 000 kg mag niet meer bedragen dan 1,5 maal de som van de aslasten van het trekkend motorvoertuig;

b.   de last onder de koppeling van een middenasaanhangwagen met een massa van niet meer dan 750 kg mag alleen in neerwaartse richting zijn gericht en mag niet meer dan 50 kg bedragen;

c.   de last onder de koppeling van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg mag niet minder bedragen dan 1% van de toegestane maximummassa van het voertuig, doch behoeft niet meer dan 50 kg te bedragen.

2.   Het eerste lid, onderdelen a en c, zijn van overeenkomstige toepassing op een aanhangwagen met een stijve dissel.


§ 3. Reminrichting

A. Aanhangwagens

Artikel 5.18.33

Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, met een totale massa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s of driewielige motorrijtuigen hoeven niet te zijn voorzien van een reminrichting, als deze totale massa niet hoger is dan de helft van de massa in rijklare toestand van het trekkend voertuig.

B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

Artikel 5.18.34

1.   Bij samenstellen van voertuigen waarvan de aanhangwagen of de verwisselbare getrokken machine van een reminrichting is voorzien, moet de reminrichting van de aanhangwagen of de verwisselbare getrokken machine in werking treden bij het bedienen van de bedrijfsrem van het trekkend voertuig.

2.   Indien de aanhangwagen of de verwisselbare getrokken machine is voorzien van een losbreekreminrichting, moet deze zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekhaak daarvan zijn verbonden, dat de inrichting slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling.

3.   Indien zowel het trekkend voertuig als de aanhangwagen of de verwisselbare getrokken machine zijn voorzien van een ABS- of EBS-systeem moeten de daartoe bestemde ISO 7638-stekkers op beide voertuigen met elkaar verbonden worden. Indien deze voorziening op één van beide voertuigen ontbreekt, moeten de remsystemen zodanig zijn aangesloten dat het mogelijk blijft dat er met zowel het trekkend voertuig als met de aanhangwagen of de verwisselbare getrokken machine lastafhankelijk geremd kan worden.

4.   Het derde lid, tweede volzin, is niet van toepassing op aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuig met beperkte snelheid die niet zijn voorzien van een ABS-systeem.

5.   Bij een samenstel van voertuigen bestaande uit een bedrijfsauto en dolly met oplegger moeten alle voertuigen zijn voorzien van een EBS-remsysteem.

6.   Indien in het samenstel bedoeld in het vijfde lid, de dolly is uitgerust met een voertuigstabiliteitssysteem, moet deze tevens beschikken over een voorziening die de remmen van de getrokken oplegger automatisch activeert zodra het voertuigstabiliteitssysteem van de dolly ingrijpt.

Artikel 5.18.35

1.   De remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van trekkend voertuig en aanhangwagens moet, zowel beladen als onbeladen, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s 2 bedragen.

2.   In afwijking van het eerste lid moet de remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen voldoen aan de eisen die aan de remvertraging van het trekkend voertuig worden gesteld in de op die categorie voertuigen betrekking hebbende afdeling van dit hoofdstuk.


Artikel 5.18.36

De parkeerrem van het trekkend motorvoertuig van een samenstel van motorvoertuig en aanhangwagen moet het samenstel van voertuigen op een helling van 10,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s 2 bedraagt.

§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen


Artikel 5.18.36d

1.   Het noodstopsignaal van personenauto's, bedrijfsauto's, bussen en aanhangwagens voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus mag alleen worden geactiveerd, indien de voertuigsnelheid meer dan 50 km/h bedraagt en:

a.   het antiblokkeersysteem in werking is;

b.   indien de toegestane maximummassa van het voertuig ten hoogste 3.500 kg bedraagt, de remvertraging meer bedraagt dan 6,0 m/s 2; of

c.   indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg, de remvertraging meer bedraagt dan 4,0 m/s 2.

 2.   Het noodstopsignaal wordt automatisch gedeactiveerd indien het antiblokkeersysteem niet meer in werking is of de remvertraging minder bedraagt dan 2,5 m/s 2.


A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielig motorrijtuigen, motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekkers en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines

Artikel 5.18.37

Indien met een personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid of landbouw- of bosbouwtrekker een aanhangwagen of verwisselbare getrokken machine wordt voortbewogen, moet het trekkend voertuig zijn voorzien van één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig.


B. Aanhangwagens en lastdragers

Artikel 5.18.38

1.   De verlichtingsinstallatie van aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines moet zodanig functioneren dat de functies van de verlichting en de lichtsignalen overeenstemmen met die van het trekkend voertuig.

2.   De verlichtingsinstallatie van lastdragers moet zodanig functioneren dat de functies van de verlichting en de lichtsignalen op de lastdrager overeenstemmen met die van het voertuig.

Artikel 5.18.38a

1.   Indien een aanhangwagen wordt voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus die is voorzien van één of twee mistachterlichten, behoeven in afwijking van artikel 5.18.38, eerste lid, alleen de één of twee mistachterlichten op de aanhangwagen te branden, mits de bediening van de mistachterlichten op het trekkende voertuig en de aanhangwagen vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt.

2.   Indien een voertuig aan de achterzijde is voorzien van een lastdrager, behoeft in afwijking van artikel 5.18.38, tweede lid, alleen het mistachterlicht op de lastdrager te branden, mits de bediening van het mistachterlicht op de lastdrager vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt. Wanneer de lastdrager niet is voorzien van een mistachterlicht, dan behoeven de één of twee mistachterlichten op het voertuig niet te branden wanneer de verlichtingsinstallatie van de lastdrager is aangesloten.


Artikel 5.18.54

Bij samenstellen van voertuigen moet de aanhangwagen of de verwisselbare getrokken machine door een enkele, passende en geschikte koppeling, die niet kan lostrillen, zodanig aan het trekkend voertuig zijn verbonden dat zijdelings uitwijken van de aanhangwagen zoveel mogelijk wordt voorkomen.

B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen

Artikel 5.18.55

Aanhangwagens moeten zich zodanig ten opzichte van het trekkend voertuig kunnen bewegen dat de voertuigen in hun uiterste standen, met een maximum van 90°, niet worden begrensd door delen van de reminrichting, van de elektrische installatie en van de koppeling, alsmede, voor zover aanwezig, van de hulpkoppeling en van de besturingsonderdelen.

Artikel 5.18.56

1.   Bij samenstellen van voertuigen moet het trekoog of de kogelkoppeling van de aanhangwagen horizontaal of nagenoeg horizontaal liggen indien het samenstel zich op een horizontaal wegdek bevindt.

2.   Bij gebruik van aanhangwagens, voorzien van een trekdriehoek met verzet, moet de koppelinrichting op het trekkend voertuig van een type zijn dat in verticale richting niet beweegbaar is.

3.   Opleggers mogen alleen aan een opleggertrekker of een dolly zijn gekoppeld indien een hoekverdraaiing van de opleggerschotel naar boven en naar beneden mogelijk is, indien het samenstel van opleggertrekker en oplegger of het samenstel van dolly en oplegger zich op een horizontaal wegdek bevindt.

Artikel 5.18.57

De hulpkoppeling van aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 1.500 kg moet zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekhaak daarvan zijn verbonden, dat deze slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling, en dat bij gebruik van de hulpkoppeling de trekboom of koppeling van de aanhangwagen de grond niet raakt. 

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                              



















Artikel 5.18.1. Alle categorieën voertuigen

  • 1.Met een motorvoertuig mag niet meer dan één aanhangwagen worden voortbewogen.
  • 2.Met een gelede bus mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.
  • 3.Met een gehandicaptenvoertuig mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.
  • 4.Met een motorfiets met zijspanwagen mag geen aanhangwagen worden voortbewogen, tenzij het wiel van de zijspanwagen is beremd.
  • 5.Het eerste lid is niet van toepassing op landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid.
  • 6.Het eerste lid is niet van toepassing op een motorvoertuig waarmee meerdere aanhangwagens worden voortbewogen en waarbij de samenstelling van deze aanhangwagens leidt tot één aanhangwagen.

Artikel 5.18.2

  • 1. Met een motorvoertuig mag niet meer dan één motorvoertuig worden gesleept.
  • 2. Voertuigen voorzien van een drukluchtremsysteem mogen alleen met behulp van een sleepstang worden gesleept.
  • 3. Het drukluchtremsysteem van het gesleepte voertuig dient te zijn aangesloten op het drukluchtremsysteem van het trekkende voertuig.
  • 4. Een dolly en een zich daarop bevindend motorvoertuig worden als één motorvoertuig beschouwd. De dolly dient in dat geval te zijn voorzien van een reminrichting.
  • 5. Met een motorvoertuig mag geen tweewielig motorvoertuig worden gesleept.
  • 6. Met een tweewielig motorvoertuig, een gelede bus of een samenstel van voertuigen mag geen motorvoertuig of samenstel van voertuigen worden gesleept.

Artikel 5.18.3

  • 1.De bestuurder mag bij het besturen van het voertuig niet door passagiers, lading of op andere wijze worden gehinderd.
  • 2.In een voertuig waarin vervoer van een passagier in een rolstoel plaatsvindt, zijn geen losse voorwerpen aanwezig die het risico op letsel bij een noodstop, een aanrijding of een botsing kunnen verhogen.

Artikel 5.18.4
Voertuigen en samenstellen van voertuigen moeten zodanig zijn beladen dat de bestuurder voldoende uitzicht naar voren en opzij heeft en met behulp van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort voorgeschreven spiegels, voldoende uitzicht heeft op het links en rechts naast en achter hem gelegen weggedeelte.
Artikel 5.18.5  Bij de inrichting Auto staan de spiegeleisen!

  • 1.De spiegels en gezichtveldverbeterende voorzieningen van bedrijfsauto’s moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6, kan overzien.
  • 2.Indien het gezichtsveld van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort voorgeschreven spiegels wordt beperkt door lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen met inbegrip van de lading, moet het voertuig zijn voorzien van een linker- onderscheidenlijk rechterbuitenspiegel waarmee de bestuurder een in bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6, vastgesteld weggedeelte kan overzien.

Artikel 5.18.6

  • 1.De lading of delen daarvan moeten zodanig zijn gezekerd dat deze onder normale verkeerssituaties, waaronder begrepen volle remmingen, plotselinge uitwijkmanoeuvres en slecht wegdek, niet van het voertuig kunnen vallen.
  • 2.Losse lading ten aanzien waarvan het gevaar bestaat dat deze of delen daarvan tijdens het rijden van het voertuig vallen, moet deugdelijk zijn afgedekt.

Artikel 5.18.7

 

  • 1. Bij het vervoer van goederen aan de achterzijde van een personenauto, bedrijfsauto met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, driewielig motorrijtuig, of aan de achter- of voorzijde van een aanhangwagen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moet worden voldaan aan de volgende eisen:     

 

 

  • a. de goederen moeten deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;
  • b. de lastdrager moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;
  • c. de lastdrager mag met inbegrip van de goederen niet meer dan 0,20 m buiten de zijkanten van het voertuig uitsteken;
  • d. indien de lastdrager is geconstrueerd voor het vervoer van specifieke goederen, mogen geen andere én niet meer van deze goederen worden vervoerd dan waarvoor de constructie is bestemd;
  • e. indien de verlichting en retroreflectoren van het voertuig door de lastdrager of de goederen worden afgeschermd, moet de lastdrager aan de achterzijde zijn voorzien van twee rode achterlichten, twee rode remlichten, twee rode retroreflectoren en twee ambergele richtingaanwijzers, die moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig met inbegrip van de lastdrager;
  • f. indien de op het voertuig aangebrachte kentekenplaat door de lastdrager of de goederen wordt afgeschermd, moet de lastdrager zijn voorzien van een kentekenplaat met het kenteken van het voertuig waarop de lastdrager is aangebracht, alsmede van achterkentekenplaatverlichting; het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en mag niet zijn afgeschermd;
  • g. indien de lastdrager is bevestigd op een trekhaak aan de achterzijde van een personenauto, bedrijfsauto met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, driewielig motorrijtuig:         

 

  • 1°. mag de door de fabrikant van de trekhaak vastgestelde maximale verticale last onder de koppeling niet worden overschreden; indien de trekhaak hieromtrent geen gegevens vermeldt, mag de verticale last niet meer dan 75 kg bedragen;
  • 2°. mag de lastdrager met inbegrip van de bevestigingsdelen onder normale gebruiksomstandigheden het wegdek niet kunnen raken;
  • 3°. mogen bevestigingsdelen, die na het gedeeltelijk verwijderen van de lastdrager op de trekhaak achterblijven, de bewegingsvrijheid van een aangekoppelde aanhangwagen niet beperken;

 

  • h. indien de lastdrager is bevestigd op de voorzijde van de aanhangwagen:         

 

  • 1°. mag de door de fabrikant van de trekhaak vastgestelde maximumlast onder de koppeling niet worden overschreden; indien dit gegeven niet bekend is, mag de maximumlast onder de koppeling niet meer dan 75 kg bedragen;
  • 2°. mag de lastdrager met inbegrip van de lading op de trekdriehoek of trekboom de bewegingsvrijheid van de aanhangwagen niet beperken.

 

  • 2. Bij het vervoer van goederen op het dak van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, of driewielig motorrijtuig moet worden voldaan aan de volgende eisen:     

 

  • a. de goederen moeten deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;
  • b. de lastdrager moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;
  • c. de door de fabrikant van het voertuig vastgestelde maximale daklast mag niet worden overschreden;
  • d. indien de lastdrager is geconstrueerd voor het vervoer van specifieke goederen, mogen geen andere én niet meer van deze goederen worden vervoerd dan waarvoor de constructie is bestemd.

 

  • 3. Bij vervoer van glas, plaatmateriaal of soortgelijke goederen aan één of beide zijkanten van een bedrijfsauto of aanhangwagen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moet worden voldaan aan de volgende eisen:     

 

  • a. de lading moet deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;
  • b. de lastdrager moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;
  • c. de lastdrager met inbegrip van de lading mag niet meer dan 0,35 m buiten de zijkanten van het voertuig uitsteken, met dien verstande dat de totale breedte van het voertuig inclusief de lastdrager en de lading niet meer mag bedragen dan 2,75 m;
  • d. de lading mag niet meer dan 1,00 m achter de achterzijde van het voertuig uitsteken;
  • e. de lastdrager die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt dient aan de voor- en achterzijde te zijn voorzien van een markering die voldoet aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133, gestelde eisen.

Artikel 5.18.8

  • 1. De lading van voertuigen en verwisselbare uitrustingsstukken mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
  • 2. Onverminderd het eerste lid moeten uitstekende delen van verwisselbare uitrustingstukken, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
  • 3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op lading, verwisselbare uitrustingsstukken of delen daarvan die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
  • 4. Geen deel van de buitenzijde van verwisselbare uitrustingsstukken mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.

Artikel 5.18.9

  • 1. Opklapbare delen aan de buitenzijde van voertuigen moeten tijdens het transport van het voertuig over de weg in opgeklapte toestand deugdelijk zijn vergrendeld.
  • 2. Tenzij voor het gebruik op de weg noodzakelijk moeten opklapbare delen van verwisselbare uitrustingsstukken tijdens het transport van het voertuig in opgeklapte toestand deugdelijk zijn vergrendeld.

Artikel 5.18.10

  • 1.Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg afkomstig uit een land waar voor deze aanhangwagens geen afzonderlijk kenteken is opgegeven, moeten, indien zij zijn gekoppeld aan een motorvoertuig waarvoor een kenteken is opgegeven, zijn voorzien van het kenteken van het trekkend motorvoertuig.
  • 2.De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van de aanhangwagen zijn bevestigd.
  • 3.Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd.

Afmetingen, massa’s en lasten
Artikel 5.18.11

  • 1. De lengte van een samenstel van trekker en oplegger mag niet meer bedragen dan 16,50 m.

 

  • 2. Van een samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een samenstel van trekker en oplegger, mag:     

 

  • a. de lengte niet meer bedragen dan 18,75 m;
  • b. de afstand tussen het voorste punt aan de buitenzijde van de laadruimte achter de stuurcabine en het achterste punt aan de buitenzijde van de aanhangwagen niet meer dan 16,40 m bedragen;
  • c. de afstand tussen het voorste punt aan de buitenzijde van de laadruimte achter de stuurcabine en het achterste punt aan de buitenzijde van de aanhangwagen, verminderd met de afstand tussen de achterzijde van de laadruimte van het motorvoertuig en de voorzijde van de laadruimte van de aanhangwagen, niet meer dan 15,65 m bedragen.
  • 3. In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren inbegrepen.
  • 4. Bij een samenstel van bedrijfsauto en een aanhangwagen, beide met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, niet zijnde een samenstel van trekker en oplegger, mag de afstand tussen de achterste as van de bedrijfsauto en de voorste as van de aanhangwagen niet minder bedragen dan 3,00 m.
  • 5. De lengte van samenstellen van personenauto of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen, mag niet meer bedragen dan 18,00 m.
  • 6. De lengte van een samenstel van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen, mag niet meer bedragen dan 24,00 m.
  • 7. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, mag de lengte van een samenstel van rijdend werktuig en aanhangwagen niet meer bedragen dan 20,00 m.
  • 7. In de afmetingen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
  • 8. De lengte van een samenstel van een bus en een aanhangwagen mag niet meer bedragen dan 18,75 m.

Artikel 5.18.12

 

  • 1. Bij het vervoer van lading met een voertuig of samenstel van voertuigen:     

 

  • a. mag de lading niet meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteken;
  • b. mag de lading niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van het voertuig uitsteken;
  • c. moet in afwijking van het bepaalde in de artikelen 5.3.49 en 5.12.49, een stootbalk zijn aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde van de uitstekende lading indien de afstand van de onderzijde van de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m;
  • d. mag de lading niet voor het voertuig uitsteken;
  • e. mag het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat van het voertuig niet worden belemmerd.
  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen.
  • 3. Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op voertuigen of samenstellen van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1996.
  • 4. Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing indien aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig zijn aangebracht.

 

  • 6. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mag een meeneemheftruck bevestigd aan de achterzijde van een voertuig, dat is ingericht voor het vervoer van goederen:     

 

  • a. meer dan 1,00 m, doch niet meer dan 1,20 m achter het voertuig uitsteken;
  • b. meer dan 1,20 m, doch niet meer dan 1,50 m achter het voertuig uitsteken, mits met een door de fabrikant van het voertuig of van de meeneemheftruck of met een door een carrosseriebouwer afgegeven verklaring, aanwezig op het voertuig, wordt aangetoond dat de aslasten en de last onder de koppeling van het voertuig bij belading met uitsluitend de meeneemheftruck voldoen aan artikel 5.18.18, tweede, derde of vierde lid. De verklaring bevat een aanduiding van het type meeneemheftruck.

            7. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, mag de uitsteek van een afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur achter het hart van de achterste as van het voertuig niet meer dan 0,5 maal de lengte van het voertuig bedragen, zoals vermeld op het kentekenbewijs of na meting vastgesteld, met een maximum van 5,00 meter, waarbij voor een oplegger geldt dat de uitsteek van de afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur achter het hart van de achterste as van het voertuig niet meer mag zijn dan 0,5 maal de afstand van hart koppeling tot de achterzijde met eveneens een maximum van 5,00 meter.



            Artikel 5.18.12a (vervallen per 1-1-2012)

 
Artikel 5.18.13

 

  • 1. In afwijking van artikel 5.18.12 mag, voor zover niet op andere wijze op het voertuig of samenstel van voertuigen, of voor zover niet binnen de afmetingen van het voertuig of samenstel van voertuigen, kan worden geladen, bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading:     

 

 

 

  • 1°. de lading aan de achterzijde van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen niet meer dan 1,00 m achter het voertuig mag uitsteken;
  • 2°. de uitsteek van de lading achter het hart van de achterste as van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en aanhangwagens niet meer dan 0,5 maal de lengte van het voertuig mag bedragen, zoals vermeld op het kentekenbewijs of na meting is vastgesteld, met een maximum van 5,00 m, waarbij voor een oplegger geldt dat de uitsteek van de lading achter het hart van de achterste as van het voertuig niet meer mag zijn dan 0,5 maal de afstand van hart koppeling tot achterzijde met eveneens een maximum van 5,00 m;
  • 3°. de lading aan de voorzijde van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen niet meer dan 1,00 m voor het voertuig mag uitsteken;
  • 4°. de lading aan de voorzijde van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg niet meer dan 4,30 m voor het hart van de voorste as van het voertuig mag uitsteken;
  • 5°. de lading niet voor de voorzijde van de aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, mag uitsteken;
  • 6°. de lading die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt, aan de voorzijde respectievelijk aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133;
  • 7°. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd, tenzij aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als het betrokken voertuig zijn aangebracht verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig;
  • b. onverminderd onderdeel a, de lengte van een beladen samenstel van trekker en oplegger meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.11, eerste lid, is toegestaan doch niet meer dan voor dat vervoer noodzakelijk is met een maximum van 22,00 m.

 

  • 2. In afwijking van artikel 5.18.12 mag de lengte van een beladen samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, dat is ingericht voor het vervoer van voertuigen, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan doch niet meer dan 20,75 m, waarbij:     

 

  • 1°. de lading niet meer dan 2,00 m achter de aanhangwagen en niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van de aanhangwagen mag uitsteken;
  • 2°. de lading niet meer dan 0,50 m voor de voorzijde van de bedrijfsauto mag uitsteken;
  • 3°. de lading die achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133. 

Artikel 5.18.14

  • 1. De breedte van driewielige motorrijtuigen, die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997, personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens, mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen in onbeladen toestand, dan wel niet meer dan 2,20 m op onverharde wegen.
  • 2. Met inbegrip van de lading mag de breedte van voertuigen, waarvan de lading bestaat uit in de breedte ondeelbare lading, meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen in onbeladen toestand, doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 3,00 m.
  • 3. Lading die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt, moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133.
  • 4. Het derde lid is niet van toepassing op lading van driewielige motorrijtuigen die na 31 oktober 1997 in gebruik zijn genomen en op lading van personenauto’s.
  • 5. Lading van driewielige motorrijtuigen die na 31 oktober 1997 in gebruik zijn genomen en van personenauto’s, mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken.

Artikel 5.18.15
De hoogte van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens, met inbegrip van de lading, mag niet meer bedragen dan 4,00 m.
Artikel 5.18.17c

  • 1.Indien voor een aanhangwagen een Nederlands kentekenbewijs is afgegeven, mag de op dit kentekenbewijs of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa niet worden overschreden of mag de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand, uitgezonderd de aslasten van een niet autonome aanhangwagen, niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximummassa. Bij middenasaanhangwagens en opleggers mag de de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand vermeerderd met de last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet meer bedragen dan de toegestane maximummassa.
  • 2.Indien op het Nederlandse kentekenbewijs van een middenasaanhangwagen of in het kentekenregister geen toegestane maximummassa is vermeld dan wel indien de middenasaanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand vermeerderd met de last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand niet meer bedragen dan 20.000 kg. Indien de middenasaanhangwagen is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte als gelijkwaardig aangemerkte vering en is voorzien van drie assen, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand vermeerderd met de last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand niet meer bedragen dan 24.000 kg.
  • 3.Indien van een aanhangwagen de toegestane maximummassa niet met behulp van het eerste en tweede lid kan worden vastgesteld, geldt voor deze aanhangwagen een toegestane maximummassa van 750 kg.

Artikel 5.18.17f

 

  • 1.De op het Nederlandse kentekenbewijs van een aanhangwagen of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximumlast onder de koppeling mag niet worden overschreden.
  • 2.Indien op het Nederlandse kentekenbewijs van een middenasaanhangwagen of in het kentekenregister de in het eerste lid bedoelde waarde niet is vermeld danwel indien de middenasaanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd mag de toegestane last onder de koppeling:     

 

  • a. alleen in neerwaartse richting zijn gericht;
  • b. niet meer bedragen dan voor het voertuig opgegeven technisch toegestane maximumlast onder de koppeling;
  • c. niet meer bedragen dan 10,0% van de technisch toegestane maximummassa van de aanhangwagen en niet meer dan 1.000 kg, en
  • d. niet minder bedragen dan 1,0% van de technisch toegestane maximummassa van de aanhangwagen, doch de last behoeft niet meer te bedragen dan 50 kg.

Artikel 5.18.17h

  • 1.Personenauto’s mogen niet zodanig zijn beladen dat de toegestane maximum last van enige as of asstel, de maximum last onder de koppeling, of de toegestane maximummassa van het voertuig wordt overschreden dan wel de som van de aslasten meer bedraagt dan de toegestane maximummassa.

Artikel 5.18.18

 

  • 1.De totale massa van aanhangwagens die worden voortbewogen door personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3.500 kg, mag niet meer bedragen dan de maximummassa die volgt uit het op de koppeling van het trekkend voertuig aangebrachte identificatiekenmerk of goedkeuringsmerk. Indien de koppeling daaromtrent geen gegevens vermeldt, mag de totale massa van de aanhangwagen niet meer bedragen dan 750 kg en niet meer dan:     

 

  • a. de ledige massa van het trekkend motorvoertuig, of
  • b. de massa in rijklare toestand van het trekkend motorvoertuig.
  • 2.De last onder de bestuurde as of assen van motorvoertuigen in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig in beladen toestand. Indien het een gelede bus betreft, mag die last niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voorste deel van het motorvoertuig in beladen toestand.
  • 3.De last onder de gestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van autonome aanhangwagens in beladen toestand, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen in beladen toestand.
  • 4.De last onder de koppeling van opleggers in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de oplegger in beladen toestand.
  • 5.Op onverharde wegen mag de last onder enig wiel van een voertuig niet meer dan 2.400 kg bedragen.

Artikel 5.18.18a

 

  • 1. Als in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van personenauto’s een maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, dan mag de totale massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van autonome aanhangwagens met een bedrijfsremsysteem achter die personenauto’s maximaal 3.500 kg bedragen en daarbij de laagste van de volgende waarden niet overschrijden:     

 

  • a. de maximum te trekken massa aanhangwagen zoals die in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van het trekkende voertuig is vermeld;
  • b. de door de fabrikant bepaalde technisch toegestane getrokken maximummassa gebaseerd op de constructie van het trekkend voertuig;
  • c. de door de fabrikant bepaalde technisch toegestane getrokken maximummassa gebaseerd op de sterkte van de mechanische koppelinrichting;
  • d. de technisch toegestane maximummassa van het trekkend voertuig, of 1,5 maal de technisch toegestane maximummassa van de personenauto, voorzover de personenauto een aantekening in het kentekenbewijs of in het kentekenregister ‘G’ heeft.

 

  • 2. Als in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van personenauto’s een maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, dan mag de totale massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van autonome aanhangwagens zonder een bedrijfsremsysteem achter die personenauto’s maximaal 750 kg bedragen en daarbij de laagste van de volgende waarden niet overschrijden:     

 

  • a. de maximum te trekken massa aanhangwagen zoals die in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van het trekkende voertuig is vermeld;
  • b. de door de fabrikant bepaalde technisch toegestane getrokken maximummassa gebaseerd op de constructie van het trekkend voertuig;
  • c. de helft van de massa van het trekkende voertuig in rijklare toestand.
  • 3. De massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van aanhangwagens achter driewielige motorrijtuigen mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van het trekkende driewielige motorrijtuig.
  • 4. Als in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van een personenauto geen maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag géén aanhangwagen worden voortbewogen.

Middenasaanhangwagens
Artikel 5.18.31
Middenasaanhangwagens moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:

  • a. de som van de aslasten van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 12 000 kg mag niet meer bedragen dan 1,5 maal de som van de aslasten van het trekkend motorvoertuig;
  • b. de last onder de koppeling van een middenasaanhangwagen met een massa van niet meer dan 750 kg mag alleen in neerwaartse richting zijn gericht en mag niet meer dan 50 kg bedragen;
  • c. de last onder de koppeling van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg mag niet minder bedragen dan 1% van de toegestane maximummassa van het voertuig, doch behoeft niet meer dan 50 kg te bedragen.

Reminrichting Aanhangwagens
Artikel 5.18.33
Aanhangwagens met een totale massa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s of driewielige motorrijtuigen hoeven niet te zijn voorzien van een reminrichting, als deze totale massa niet hoger is dan de helft van de massa in rijklare toestand van het trekkend voertuig.
Artikel 5.18.34

  • 1.Bij samenstellen van voertuigen waarvan de aanhangwagen van een reminrichting is voorzien, moet de reminrichting van de aanhangwagen in werking treden bij het bedienen van de bedrijfsrem van het trekkend voertuig.
  • 2.Indien de aanhangwagen is voorzien van een losbreekreminrichting, moet deze zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekhaak daarvan zijn verbonden, dat de inrichting slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling.
  • 3.Indien zowel het trekkend voertuig als de aanhangwagen zijn voorzien van een ABS- of EBS-systeem moeten de daartoe bestemde ISO 7638-stekkers op beide voertuigen met elkaar verbonden worden. Indien deze voorziening op één van beide voertuigen ontbreekt moeten de remsystemen zodanig zijn aangesloten dat het mogelijk blijft dat er met zowel het trekkend voertuig als met de aanhangwagen lastafhankelijk geremd kan worden.
  • 4.Het derde lid, tweede volzin, is niet van toepassing op aanhangwagens voor landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens voor motorrijtuig met beperkte snelheid die niet zijn voorzien van een ABS-systeem.

Artikel 5.18.35

  • 1.De remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van trekkend voertuig en aanhangwagens moet, zowel beladen als onbeladen, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s 2 bedragen.
  • 2.In afwijking van het eerste lid moet de remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen voldoen aan de eisen die aan de remvertraging van het trekkend voertuig worden gesteld in de op die categorie voertuigen betrekking hebbende afdeling van dit hoofdstuk.

Artikel 5.18.36
De parkeerrem van het trekkend motorvoertuig van een samenstel van motorvoertuig en aanhangwagen moet het samenstel van voertuigen op een helling van 10,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s 2 bedraagt.
Artikel 5.18.36d

 

  • 1. Het noodstopsignaal van personenauto's, bedrijfsauto's, bussen en aanhangwagens voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus mag alleen worden geactiveerd, indien de voertuigsnelheid meer dan 50 km/h bedraagt en:     

 

  • a. het antiblokkeersysteem in werking is;
  • b. indien de toegestane maximummassa van het voertuig ten hoogste 3.500 kg bedraagt, de remvertraging meer bedraagt dan 6,0 m/s 2; of
  • c. indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg, de remvertraging meer bedraagt dan 4,0 m/s 2.
  • 2. Het noodstopsignaal wordt automatisch gedeactiveerd indien het antiblokkeersysteem niet meer in werking is of de remvertraging minder bedraagt dan 2,5 m/s 2.

Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
Artikel 5.18.37
Indien met een personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid of landbouw- of bosbouwtrekker een aanhangwagen wordt voortbewogen, moet het trekkend voertuig zijn voorzien van één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig.
Aanhangwagens
Artikel 5.18.38
De verlichtingsinstallatie van aanhangwagens moet zodanig functioneren dat de functies van de verlichting en de lichtsignalen overeenstemmen met die van het trekkend voertuig.
Artikel 5.18.38a
Indien een aanhangwagen wordt voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus die is voorzien van één of twee mistachterlichten, behoeven in afwijking van artikel 5.18.38, alleen de één of twee mistachterlichten op de aanhangwagen te branden, mits de bediening van de mistachterlichten op het trekkende voertuig en de aanhangwagen vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt.
Verbinding tussen voertuigen
Artikel 5.18.54
Bij samenstellen van voertuigen moet de aanhangwagen door een enkele, passende en geschikte koppeling, die niet kan lostrillen, zodanig aan het trekkend voertuig zijn verbonden dat zijdelings uitwijken van de aanhangwagen zoveel mogelijk wordt voorkomen.
Artikel 5.18.55
Aanhangwagens moeten zich zodanig ten opzichte van het trekkend voertuig kunnen bewegen dat de voertuigen in hun uiterste standen, met een maximum van 90°, niet worden begrensd door delen van de reminrichting, van de elektrische installatie en van de koppeling, alsmede, voor zover aanwezig, van de hulpkoppeling en van de besturingsonderdelen.
Artikel 5.18.56

  • 1.Bij samenstellen van voertuigen moet het trekoog of de kogelkoppeling van de aanhangwagen horizontaal of nagenoeg horizontaal liggen indien het samenstel zich op een horizontaal wegdek bevindt.
  • 2.Bij gebruik van aanhangwagens, voorzien van een trekdriehoek met verzet, moet de koppelinrichting op het trekkend voertuig van een type zijn dat in verticale richting niet beweegbaar is.
  • 3.Opleggers mogen alleen aan een trekker zijn gekoppeld indien een hoekverdraaiing van de opleggerschotel naar boven en naar beneden mogelijk is, indien het samenstel van trekker en oplegger zich op een horizontaal wegdek bevindt.

Artikel 5.18.57
De hulpkoppeling van aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 1.500 kg moet zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekhaak daarvan zijn verbonden, dat deze slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling, en dat bij gebruik van de hulpkoppeling de trekboom of koppeling van de aanhangwagen de grond niet raakt.